    Commando's van WB-ASS2.
    ----------------------

? <waarde>
         Geeft de waarde van <waarde> in asc, dec, hex, bin.

ADDR "<dev>:<filenaam>"
         Geeft het start, eind en execute adres van een BSAVE file.

ASM
         Asembleerd de in de tekstbuffer aanwezige sourcecode.

BASIC
         Keert terug naar MSX basic.

BLOAD "<dev>:<filenaam>"
         Laad een geBSAVEde file in het geheugen. Werkt hetzelfde als in
         BASIC.

BSAVE "<dev>:<filenaam>",<startadres>,<eindadres>,<execadres>
         Maakt een geheugendump op <dev>. Werkt hetzelfde als in BASIC.

COMPARE <startadres>,<eindadres>,<startadres2>
         Vergelijkt een blok geheugen met een blok geheugen beginnend op
         <startadres2>.

DIR "<dev>:<filenaam>" [/w][/p]
         Zet de inhound van de disk op scherm, tenzij [/p] gebruikt wordt,
         dan wordt de inhoud doorgestuurt naar de printer. Wanneer [/w]
         wordt gebruikt, worden de files naast elkaar gezet.

DIS <startadres>,[<eindadres>]
         Disassembleerd een geheugengebied wat begint bij <startadres> en,
         als opgegeven, stopt bij <eindadres>. Wordt <eindadres> niet
         opgegeven stopt het disassembleren regelmatig en wacht op een
         toets. Die toets kan zijn voor een scherm verder spatie, een regel
         verder return en verder zonder te stoppen CTRL+naar beneden.

DLOAD "<dev>:<filenaam>",<startadres>
         Laad een file in op adres <startadres>. Er kan eventueel een eind-
         adres worden aangegeven nadat op return is gedrukt. Vooral handig
         bij COM files.

DSAVE "<dev>:<filenaam>",<startadres>,<eindadres>
         Bewaardt een geheugengebied van <startadres> tot <eindadres> op
         <dev>. Vooral handing om COM files te maken.

EDIT [<regnr>]
         Springt naar de sourcecode editor. Als <regnr> is aangegeven,
         wordt de cursor op regelnummer <regnr> gezet, anders op het laatst
         gebruikte regelnummer.Toetsen die gebruikt kunnen worden in de
         editor zijn:
         CTRL+omhoog - pagina omhoog
         CTRL+omlaag - pagina omlaag

         CTRL+I      - regel invoegen
         CTRL+D      - regel verwijderen
         CTRL+C      - einde editor (CTRL+STOP)

         CTRL+A      - blok start markeren
         CTRL+Z      - blok eind markeren
         CTRL+K      - copieeren blok
         CTRL+T      - reset marker
         CTRL+W      - wis gemarkeert blok
         CTRL+P,V,INS- blok functies ???

FILL <startadres>,<eindadres>,<waarde>
         Vult een geheugengebied van <startadres> tot <eindadres> met de
         waarde <waarde>.

FIND <labelnaam>
         Zoekt in de tekstbuffer het label <labelnaam>. Als het label niet
         bestaat, volgt er een foutmelding, als het label te zien was in de
         editor, de laatste keer dat die gebruikt was, volgt er niet, en in
         een ander geval zal het progamma naar de editor overschakelen op
         het regelnummer, waar <labelnaam> het eerste voorkomt.

GET <drive>,<sectornummer>,<aantal>,<startadres>
         Leest <aantal> sectoren van disk, beginnend bij sector
         <sectornummer>. De sector(en) worden in het geheugen geplaatst op
         adres <startadres>. <drive> moet zijn voor drive A 0, drive B 1
         enz. (Zie ook PUT)

GO <startadres>
         Springt naar <startadres>.

HUNT <arg1>,[<arg2>],[<agr3>], ect.
         Zoekt de volle 64Kb door naar <agr>. Meerdere argumenten kunnen
         gegeven worden om zo combinaties te maken met decimaal,
         hexadecimaal, binair en ascii.

IN <poortnr>
         Leest een byte uit poortadres <poortadres> en zet deze in ascii,
         dec, hex en bin op het scherm. (Zie ook OUT)

INFO
         Geeft informatie over de toestand van de tekstbuffer.

LAB
         Geeft een overzicht van de, in de tekstbuffer aanwezige, labels.

LOAD "<dev>:<filenaam>"
         Laad sourcecode van <dev> in de tekstbuffer. (Zie ook SAVE)

MERGE "<dev>:<filenaam>",<waarde>
         Moet waarschijnlijk achter de sourcecode die zich in de
         tekstbuffer bevindt, sourcecode toevoegen. <waarde> mag een waarde
         hebben van 0-255.

MON <startadres>
         Activeert de geheugen monitor op adres <startadres>. In de monitor
         kan gebruikt worden:
         SELECT      - overschakelen tussen hex en ascii editor.
         CTRL+omhoog - snel omhoog bladeren.
         CTRL+omlaag - snel omlaag bladeren.

MOVE <startadres>,<eindadres>,<doeladres>
         Copieerd een geheugengebied van <startadres> tot <eindadres> naar
         <doeladres>.

OUT <poortnummer>,<waarde>
         Stuurt waarde <waarde> naar I/O poort <poortnummer>. (Zie ook IN)

PAGE [<page>,<prim.slot>,[<sec.slot>,[<memmap>]]]
         Page alleen geeft een overzicht van de huidige instelling. Door de
         rest kan die huidige instelling veranderd worden. <page> is het
         paginanummer, <prim.slot> het primair slotnummer, <sec.slot> het
         secundair slotnummer en <memmap> de memorymapper pagina nummer.

PEEK [(]<adres>[)]
         Geeft de inhoud van geheugenadres <adres> weer in ascii, dec, hex
         en bin. De haakjes zijn niet noodzakelijk.

POKE <adres>,<waarde>
         Vult geheugenadres <adres> met waarde <byte>. Werkt zoals in
         BASIC.

PRT <waarde>
         Geeft het ascii karakter weer van <waarde>.

PUT <drive>,<sectornummer>,<aantal>,<startadres>
         Schrijft <aantal> sectoren op disk beginnend bij sector
         <sectornummer>. <startadres> is het startadres waarvanaf het
         schrijven begint. <drive> moet zijn voor drive A 0, drive B 1 ect.
         (Zie ook GET)

REG [<register>,[<waarde>]]
         Als alleen REG wordt gebruikt, worden van alle registers de inhoud
         getoond. Als REG met een register <register> wordt gebruikt, wordt
         alleen dat register getoond, en krijgt de gebruiker de kans om die
         te wijzigen. Return wijzigt niets. Als ook nog <waarde> wordt
         vermeld dat wordt dat register meteen voorzien van die waarde en
         gebeurd er verder niets.

SAVE[/A] "<dev>:<filenaam>"
         Bewaardt de sourcecode op <dev>. Als de optie /A wordt gebruikt, 
         maakt de assembler een ascii file aan i.p.v de ruimtebesparende 
         WBASS codeering. (Zie ook LOAD) 

SCR
         Wist de in de tekstbuffer aanwezige sourcecode.

SET
         Geeft een overzicht van de met SET te veranderen instelling zoals
         ze nu zijn.
    SET/W <waarde>
         Verandert de printbreedte. <waarde> kan een waarde zijn van 38 tot
         255.
    SET/K <waarde>
         Verandert de aantal kolommen van de geheugen monitor. <waarde> kan
         alleen 8 of 16 zijn.
    SET/H <plaats>,"<manier>"
         Verandert de manier van het vermelden van hexadecimale getallen.
         <plaats> kan zij V(oor) of A(achter), en <manier> kan alles zijn,
         maar de meest gebruikte manier is "&H" of "H"
    SET/B <plaats>,"<manier>"
         Zoals SET/H maar dan voor binaire getallen.
    SET/E <adres>
         Zet het eindadres van de tekstbuffer op adres <adres>. Om te
         verkomen dat de tekst de machinetaal zou kunnen overschrijven.
    SET/D <letter>
         Zet de default drive op drive <letter>, waarbij drive A A is ect.
    SET/S <letter>
         <letter> kan zijn J(a) en N(ee). Wanneer ja wordt gekozen, maakt
         het progamma bij gebruik van SAVE een .BAK file van de oude file
         die dezelfde naam had als de file heeft die moet worden bewaard.
         Dit voorkomt overschrijven van de oude file, maar wordt er dan nog
         een keer geSAVEd, is de eerst file wel verdwenen. Met SET/S N
         wordt deze optie uitgezet.
     SET/G <letter>
         <letter> kan zijn J(a) en (N)ee. Wanneer ja wordt gekozen, worden
         grafische tekens wel getoond, anders niet.
     SET/R <letter>
         <letter> kan zijn J(a) en N(ee). Wanneer ja wordt gekozen, wordt
         bij disassembleren bij RST defb en defw gebruikt als nodig. Als
         nee wordt gekozen gebeurt dat niet.
     SET/A <letter>
         <letter> kan zijn H(exadecimaal) en D(ecimaal). Wordt hexadecimaal
         gekozen, wordt bij het vortaan alle waardes hexadecimaal vermeldt,
         wordt decimaal gekozen, is dit decimaal.

TYPE "<dev>:<filenaam>"
         Zet een tekstfile op het scherm.

WIDTH <getal>
         Stelt het aantal kolommen in. <getal> moet een waarde zijn van 1 -
         40 (MSX1) en van 1 - 80 (MSX2). Werkt zoals in BASIC.


Vaak kan direct achter de filename een van deze twee opties gebruikt worden:
 /D"<dev>:<filenaam>" om de uitvoer naar disk i.v.p het scherm te sturen.
 /P                   om de uitvoer naar de printer i.v.p. het scrherm te
                      sturen.
Voor allebei deze gevallen is het aan te raden, wanneer een eindadres mag 
worden opgegeven, dat ook te doen.

Typed by z800 @20